Update uw browser.

Uw browser ondersteunt de huidige internetstandaarden niet. Daardoor kunnen er verkeerde weergaven en een onverwacht gedrag op deze website optreden. Wij adviseren u om uw browser bij te werken om deze website storingsvrij te kunnen gebruiken.

Update uw browser.

Uw browser ondersteunt de huidige internetstandaarden niet. Daardoor kunnen er verkeerde weergaven en een onverwacht gedrag op deze website optreden. Wij adviseren u om uw browser bij te werken om deze website storingsvrij te kunnen gebruiken.

Op de waarneming gerichte lichtplanning

Waarneming als uitgangspunt voor goede lichtplanning

De waarnemingsgeoriënteerde lichtplanning in de jaren 1960 beschouwde de mens met zijn behoeften als actieve factor in de waarneming en niet meer louter als ontvanger van een visuele omgeving. De planner analyseerde, welke hoofdrol afzonderlijke gebieden en functies hebben. Op basis van deze betekenisvoorbeelden was het mogelijk, de verlichting als derde factor te plannen en op maat vorm te geven. Dit vereiste kwalitatieve criteria en een bijbehorend vocabulaire. Hiermee konden de vereisten aan een verlichtingsinstallatie en de functies van het licht worden beschreven.

Richard Kelly

Richard Kelly

Richard Kelly (1910-1977) was een pionier in de kwalitatieve lichtplanning. Hij voegde de beschikbare suggesties uit de waarnemingspsychologie en toneelverlichting samen tot een eenduidig concept. Kelly onttrok zich aan de richtlijn dat er een eenduidige verlichtingssterkte als centraal criterium van de lichtplanning moest worden gehanteerd. Hij verving de vraag naar de lichtkwantiteit door de vraag naar de afzonderlijke kwaliteiten van licht, volgens een reeks functies van licht die op de waarnemende kijker waren gericht. Kelly maakte hierbij in de jaren 50 van de vorige eeuw drie basisfuncties: ambient luminescence (licht om te zien), focal glow (licht om naar iets te kijken) en play of brilliants (licht om naar te kijken).

Richard Kelly

Licht om te zien

Als eerste en elementaire vorm van het licht noemde Kelly het "ambient luminescence"; een begrip dat kan worden vertaald als "licht om te zien". Dit element zorgde voor een algemene verlichting van de omgeving, het zorgde ervoor, dat de omringende ruimte, zijn objecten en de mensen erin zichtbaar waren. Deze vorm van verlichting, die voor een algemene mogelijkheid voor oriëntatie en activiteiten zorgde, kwam door de omvattende en gelijkmatige uitlijning verregaand overeen met de voorstellingen van de kwantitatieve lichtplanning. Anders dan daar was licht om te zien geen doel op zich, maar vormde het slechts de basis voor een verdere lichtplanning. Er werd niet gestreefd naar een algemene verlichting van een vermeende optimale verlichtingssterkte, maar naar een gedifferentieerde verlichting, die op het basisniveau van het ambient light voortborduurde.

Richard Kelly

Licht om naar iets te kijken

Om een differentiatie te bereiken, gebruikte Kelly een tweede vorm van licht, die hij met "focal glow", te vertalen als "licht om naar iets te kijken", aanduidde. Hier verkreeg licht voor de eerste keer uitdrukkelijk de taak, om actief mee te werken aan het overdragen van informatie. Hierbij werd rekening gehouden met het feit, dat helderverlichte gedeelten onwillekeurig de aandacht van de mens naar zich toetrokken. Een geschikt lichtsterkteverdeling maakte het mogelijk, om de informatierijkdom van een omgeving te ordenen. Zones met belangrijke informatie konden door een benadrukte verlichting naar voren worden gehaald, tweederangs of storende informatie werd daarentegen door een lager verlichtingsniveau naar de achtergrond verplaatst. Dit maakte een snelle en zekere informatie mogelijk. De visuele omgeving werd in zijn structuren en in de betekenis van hun objecten herkend. Dit gold in gelijke mate voor de oriëntatie in de ruimte - bijv. het snel onderscheid maken tussen een hoofd- en een neveningang - zoals voor het benadrukken van objecten, bijvoorbeeld de presentatie van waren of het naar voren halen van de kostbaarste sculptuur van een verzameling.

Richard Kelly

Licht om te bekijken

De derde vorm van licht, "play of brilliants" of "licht om naar te kijken", ontstond uit het besef, dat licht niet alleen op informatie kan wijzen, maar ook zelf informatie vormde. Dit gold met name voor sprankelende effecten, die door puntlichtbronnen op spiegelende of lichtbrekende materialen werden opgeroepen. Als sprankelend kon echter ook de lichtbron zelf worden beschouwd. Met name aan representatieve ruimtes verleende "licht om naar te kijken" levendigheid en sfeer. Wat traditioneel door kroonluchters en kaarsvlammen werd gecreëerd, kon ook in een moderne lichtplanning worden bereikt door het gerichte gebruik van lichtsculpturen of het creëren van sprankeling op verlichte materialen.

Glass House

Architect: Philip Johnson
Plaats: New Canaan, Connecticut, 1948-1949

Kelly ontwikkelde in het Glass House basisprincipes voor de verlichting van de binnen- en buitenruimte, die hij in talrijke woningen en zakelijke gebouwen zou gebruiken. Voor het zonlicht vermeed Kelly jaloezieën, aangezien deze voor hem het uitzicht verstoorden en het brede ruimtelijke gevoel negatief beïnvloedden. Het harde contrast overdag van binnen en buiten reduceerde bij met een gedimde verlichting van de binnenwanden. Voor de nacht ontwikkelde hij een concept, dat de rekening hield met de weerspiegeling van de glasfaçade en dat het ruimtelijke gevoel liet bestaan. Kelly beval voor de binnenruimte kaarsen aan, om glans en een opwindende sfeer te creëren. In de buitenruimte maakten meerdere verlichtingselementen het uitzicht uit de woonruimte mogelijk en genereerden ze diepte van de ruimte: schijnwerpers op het dak verlichtten het gazon voor het gebouw en de bomen bij het huis. Verdere schijnwerpers benadrukten bomen op het middenstuk en in de achtergrond, om de landschapscoulisse zichtbaar te maken.

De afbeeldingen zijn met vriendelijke toestemming door de Kelly-verzameling ter beschikking gesteld.

Richard Kelly

Seagram Building

Architecten: Ludwig Mies van der Rohe and Philip Johnson
Plaats: New York, New York, 1957

De visie voor het Seagram Building was een uit de verte herkenbare toren van licht. In samenwerking met Mies van der Rohe en Philip Johnson bereikte Kelly dit, doordat hij het gebouw van binnenuit liet oplichten - met verlichte plafonds in de kantoorverdiepingen. Een tweetraps lichtschakeling voor de fluorescentielampen maakte het daarbij mogelijk om 's nachts energie te besparen. Het verlichte sokkelgedeelte liet de indruk ontstaan, dat de wolkenkrabber boven de straat zweeft. De gelijkmatige verticale verlichting van de kern van het gebouw met plafondinbouwarmaturen zorgde 's avonds voor een indrukwekkende blik in het gebouw. Een tapijt van licht zette zich voort vanuit de binnenruimte naar het voorterrein. Om overdag een eenheid in de beschermingsmaatregelen tegen de zon op de façade te bereiken, konden de jaloezieën aan de vensters slechts in drie posities worden ingesteld - open, gesloten en halfopen.

New York State Theater

Lincoln Center for the Performing Arts
Architect: Philip Johnson
Plaats: New York, New York, 1965

Voor het New York State Theater onderzocht Kelly kristallijne structuren, om de kroonluchter in de toeschouwersruimte en de verlichting van de balustrades in de foyer te ontwikkelen. In de toeschouwersruimte werd de kroonluchter met een diameter van circa drie meter samengesteld uit een veelvoud van kleinere "lichtdiamanten". In de foyer moesten de armaturen aan de balustrade het effect hebben van juwelen in een kroon en de verhevenheid van de ruimte onderstrepen. De aan de voorzijde afgeschermde lichtbronnen creëerden binnenin door de facetrijke structuur sterke reflecties. Hierdoor ontstonden sprankelingseffecten die vergelijkbaar zijn met het fonkelen van edelstenen. Kelly bedacht ook de verlichting van andere gedeelten van het Lincoln Center met uitzondering van de binnenruimte van de Metropolitan Opera House.

Richard Kelly

Kimbell Art Museum

Architect: Louis I. Kahn
Plaats: Fort Worth, Texas, 1972

De juiste benutting van het natuurlijke licht in het Kimbell Art Museum was gebaseerd op de samenwerking van Louis Kahn met Richard Kelly. Kahn ontwierp een reeks van noord-zuid gerichte galerieën met gewelvenplafonds, die in het midden voorzien waren van een lichtvoeg. Kelly ontwierp het lichtleidsysteem met de gewelfde aluminiumplaat. Door de perforatie drong daglicht binnen, om het contrast tussen de reflector en het door het daglicht verlichte betongewelf te temperen. Het middelste gedeelte van de aluminiumschaal werd niet geperforeerd, om direct daglicht uit te sluiten. In gebieden zonder vereisten qua UV-bescherming, zoals de ingang of het restaurant, werd een volledig geperforeerde reflector gebruikt. Voor de berekening van de reflectorcontour en de te verwachten lichteigenschappen werden reeds computerprogramma's gebruikt. Op de onderzijde van het daglichtleidsysteem werden spanningsrails en spots geïntegreerd. Voor de binnenplaatsen stelde Kelly planten voor, om het harde daglicht voor de binnenruimten te temperen.

Yale Center For British Art

Architect: Louis I. Kahn
Plaats: New Haven, Connecticut, 1969-1974

Louis Kahn ontwikkelde met Kelly voor de verlichting in het Yale Center for British Art een systeem van bovenlichten. Het museum wilde uitsluitend verlichting van de afbeeldingen door daglicht bereiken voor zonnige en bewolkte dagen. Alleen bij weinig daglicht moest er een combinatie met kunstmatige verlichting plaatsvinden. De lichtkoepels met de vast gemonteerde lamellenconstructie op de bovenzijde lieten diffuus noordlicht in het gebouw naar binnen en vermeden de directe lichtinval van een hoge stand van de zon op de wanden of de vloer. De bovenlichten bestonden uit de bovenste plexiglaskoepel met UV-bescherming en een sandwichconstructie uit een doorschijnende kunststofplaat als bescherming tegen stof, een hoogglanzende lichtdiffusor en een dubbelgelaagde acryl-prismalens op de onderzijde. Spanningsrails aan de onderzijde van de lichtkoepels droegen wallwashers en spots. Een maquette op schaal 1:1 en computerberekeningen begeleidden het ontwerpproces.

William Lam

William Lam

William M. C. Lam (1924-), een van de meest betrokken voorvechters van een kwalitatief geörienteerde lichtplanning, maakt in de jaren 1970 een criteriacatalogus, een systematisch vocabulaire voor de contextgeoriënteerde beschrijving van de vereisten aan een verlichtingsinstallatie. Lam maakt een onderscheid tussen twee hoofdgroepen van criteria: De "activity needs", de vereisten, die uit de actieve bezigheden in een visuele omgeving ontstaan en de "biological needs", die in iedere context de geldige psychologische vereisten aan een visuele omgeving samenvatten.

William Lam

Activity needs

De "activity needs" beschrijven de vereisten, die uit de actieve bezigheden in een visuele omgeving ontstaan. Bepalend voor deze vereisten zijn de eigenschappen van de voorliggende kijktaken. De analyse van de activity needs komt in brede zin overeen met de criteria van de kwantitatieve verlichting. Ook in de doelen van de lichtplanning bestaat er voor dit terrein een brede overeenstemming. Er wordt een functionele verlichting nagestreefd, die optimale omstandigheden schept voor de overeenkomstige activiteit - hetzij bij het werk, de beweging door de ruimte of in de vrije tijd. Anders dan de vertegenwoordigers van de kwantitatieve lichtplanning keert Lam zich echter tegen een continue verlichting die altijd volgens de zwaarste kijktaak moet plaatsvinden. Hij eist meer een gedifferentieerde analyse van alle voorhanden kijktaken op locatie, type en frequentie.

William Lam

Biological needs

Voor Lam is het tweede complex van zijn systematiek, dat de "biological needs" omvat, van essentiëler belang. De biological needs vatten de in iedere context geldige psychologische vereisten aan een visuele omgeving samen. Terwijl activity needs uit een bewuste interactie met de omgeving resulteren en zich richten op de functionaliteit van een visuele omgeving, omvatten de biological needs verregaand onbewuste behoeften, die voor een emotionele waardering van een situatie van essentieel zijn. Deze richten zich op het welbevinden in een visuele omgeving. Lam gaat bij zijn definitie uit van het feit, dat onze blik zich slechts op momenten van opperste concentratie uitsluitend op één kijktaak richt. Bijna altijd wordt de visuele aandacht van de mens uitgebreid naar de waarneming van zijn totale omgeving. Veranderingen in de omgeving worden op deze wijze meteen waargenomen, het gedrag kan zonder vertraging aan veranderde situaties worden aangepast. De emotionele waardering van een visuele omgeving hangt er niet in de laatste plaats vanaf, of deze de benodigde informatie duidelijk aanbiedt of deze de waarnemer onthoudt.

Oriëntatie

Onder de fundamentele psychologische vereisten, die aan een visuele omgeving worden gesteld, noemt Lam in de eerste plaats de behoefte aan een eenduidige oriëntatie. Oriëntatie kan hierbij in eerste instantie ruimtelijk worden begrepen. Deze heeft dan betrekking op de herkenbaarheid van doelen en de wegen ernaartoe; op de ruimtelijke ligging van ingangen, uitgangen en het specifieke aanbod van een omgeving, hetzij een receptie of een aparte afdeling van een warenhuis. Oriëntatie omvat echter ook de informatie over verdere aspecten van de omgeving, bijvoorbeeld het tijdstip, het weer of wat er in de omgeving gebeurt. Als deze informatie ontbreekt, zoals bijvoorbeeld het geval is in de afgesloten ruimtes van warenhuizen of in de gangen van grote gebouwen, dan wordt de omgeving als kunstmatig en beklemmend ervaren; pas bij het verlaten van het gebouw kan het tekort aan informatie worden aangevuld.

Begrijpelijkheid

Een tweede groep van psychologische vereisten heeft betrekking op de overzichtelijkheid en begrijpelijkheid van de omringende structuren. Hierbij is allereerst de voldoende zichtbaarheid van alle ruimtebereiken van belang. Deze bepaalt het gevoel van veiligheid in een visuele omgeving. Duistere hoeken, bijv. in tunnels of de gangen van grote gebouwen, verbergen potentiële gevaren, net als verblindend verlichte gebieden. De overzichtelijkheid heeft echter niet alleen betrekking op volledige zichtbaarheid, deze omvat ook de structurering, de behoefte aan een eenduidige en geordende omgeving. Mensen ervaren een situatie, waarin vorm en opbouw van de omringende architectuur duidelijk herkenbaar zijn, maar waarin echter ook de essentiële gebieden uit deze achtergrond duidelijk waarneembare naar voren worden gehaald, als positief. Op plaatsen met een verwarrende en potentieel tegenstrijdige grote hoeveelheid informatie presenteert een ruimte zich op deze wijze met een overzichtelijke hoeveelheid duidelijk geordende eigenschappen. Voor de ontspanning is de aanwezigheid van een uitzicht of interessante aandachtspunten, bijv. van een kunstwerk, eveneens van belang.

Communicatie

Een derde bereik omvat het evenwicht tussen de behoefte aan communicatie van de mens en zijn aanspraak op een gedefinieerde privé-sfeer. Hierbij worden beide extremen, zowel de volledige isolatie als de volledige openbaarheid, als negatief ervaren; een ruimte moet het contact met andere mensen mogelijk maken, maar tegelijkertijd ook de definitie van privé-gedeelten toestaan. Een dergelijk privégedeelte kan bijvoorbeeld worden bereikt door een lichteiland, dat een zitgroep of een vergadertafel in een grotere ruimte van de omgeving afgrenst.