Update uw browser.

Uw browser ondersteunt de huidige internetstandaarden niet. Daardoor kunnen er verkeerde weergaven en een onverwacht gedrag op deze website optreden. Wij adviseren u om uw browser bij te werken om deze website storingsvrij te kunnen gebruiken.

Update uw browser.

Uw browser ondersteunt de huidige internetstandaarden niet. Daardoor kunnen er verkeerde weergaven en een onverwacht gedrag op deze website optreden. Wij adviseren u om uw browser bij te werken om deze website storingsvrij te kunnen gebruiken.

Maten, eenheden

Lichtstroom

Lichtstroom

De lichtstroom φ is een grootheid voor de lichtcapaciteit van een lichtbron.

φ = Lumen (lm)

De lichtstroom beschrijft het gehele door een lichtbron afgegeven lichtvermogen. In principe kan dit uitgestraald vermogen als afgegeven energie in de eenheid Watt worden weergegeven. De optische werking van een lichtbron wordt op deze manier niet afdoende beschreven, omdat de afgegeven straling zonder onderscheid het totale frequentiebereik omvat en er geen rekening gehouden wordt met de verschillen in de spectrale gevoeligheid van het oog. Door rekening te houden met de spectrale gevoeligheid van het oog ontstaat de grootheid lumen . Een in het maximum van de spectrale gevoeligheid van het oog (fotopisch, 555 nm) afgegeven straling van 1 W produceert een lichtstroom van 683 lm. Daarentegen genereert de gelijke stralingsvloed in frequentiebereiken met een lagere gevoeligheid volgens de V (λ)-curve overeenkomstig kleinere lichtstromen.

Rendement

Rendement

η = F / P

η = lm / W

Het rendement beschrijft het bedrijfsrendement van een lamp. Deze wordt door de verhouding tussen van de afgegeven lichtstroom in lumen en de gebruikte prestatie in watt uitgedrukt. De theoretisch haalbare maximale waarde bij een volledige omzetting van de energie bij 555 nm is 683 lm/W. De daadwerkelijk haalbare rendementen variëren per lamp, maar blijven altijd ver onder deze ideale waarde.

Lichtsterkte

Definitie

Een ideale, puntvormige lichtbron straalt zijn lichtstroom gelijkmatig in alle richtingen van de ruimte, de lichtsterkte is in alle richtingen gelijk. In de praktijk is er echter altijd een ongelijkmatige ruimtelijke verdeling van de lichtstroom, die deels door de opbouw van de lamp wordt bepaald, deels door een gerichte sturing van de armatuur wordt veroorzaakt. De candela als eenheid van lichtsterkte is de basiseenheid van de lichttechniek, waarvan alle andere lichttechnische maten worden afgeleid.

Weergave

De ruimtelijke verdeling van de lichtsterkte van een lichtbron genereert een driedimensionaal lichtsterkteverdelingsobject. De snede door dit lichtsterkteobject levert het lichtsterkteverdelingsdiagram op, waarmee de lichtsterkteverdeling in een niveau wordt beschreven. De lichtsterkte wordt daarbij meestal in een poolcoördinatensysteem als functie van de stralingshoek ingevoerd. Om de lichtsterkteverdeling van verschillende lichtbronnen direct te kunnen vergelijken, worden de gegevens steeds aan 1000 lm lichtstroom gerelateerd. Bij rotatiesymmetrische armaturen is één lichtsterkteverdelingsdiagram voldoende voor de beschrijving van de armatuur. Voor tweezijdige armaturen zijn er twee curven nodig, die echter meestal in één diagram worden weergegeven.

Verlichtingssterkte

De verlichtingssterkte is een maat voor de lichtstroomdichtheid op een vlak. Deze wordt gedefinieerd als de verhouding tussen een op een vlak vallende lichtstroom tot de grootte van dit vlak. De verlichtingssterkte is daarbij niet aan een reëel oppervlak gebonden, ze kan op iedere plek van de ruimte worden bepaald. De verlichtingssterkte kan worden afgeleid uit de lichtsterkte. De verlichtingssterkte neemt daarbij met het kwadraat van de afstand tot de lichtbron af (fotometrische afstandswet).

Verlichtingssterkte

Verlichtingssterkte Verlichtingssterkte Verlichtingssterkte

De verlichtingssterkte is een maat voor de lichtstroomdichtheid op een vlak. Deze wordt gedefinieerd als de verhouding tussen een op een vlak vallende lichtstroom tot de grootte van dit vlak. De verlichtingssterkte is daarbij niet aan een reëel oppervlak gebonden, ze kan op iedere plek van de ruimte worden bepaald. De verlichtingssterkte kan worden afgeleid uit de lichtsterkte. De verlichtingssterkte neemt daarbij met het kwadraat van de afstand tot de lichtbron af (fotometrische afstandswet).

Belichting

Belichting

Met verlichting wordt het product uit de verlichtingssterkte en de verlichtingsduur, waarmee een vlak verlicht wordt, aangeduid. De verlichting speelt met name bij de berekening van lichtbelastingen op tentoonstellingsstukken, bijv. in musea, een rol.

Luminantie

Terwijl de verlichtingssterkte de op een vlak vallende lichtcapaciteit toont, beschrijft de luminantie het van het vlak uitgaande licht. Dit licht kan daarbij van het vlak zelf uitgaan (bijv. bij de luminantie van lampen en armaturen). De luminantie is hierbij gedefinieerd als de verhouding van de lichtsterkte en de op het niveau loodrecht op de stralingsrichting geprojecteerde vlak. Het licht kan ook door het vlak worden gereflecteerd of overgebracht. Voor verstrooid reflecterende (matte) en voor verstrooid doorlatende (troebele) materialen kan de luminantie hierbij uit de verlichtingssterkte en de reflectie- of transmissiefactor worden berekend. De helderheid correleert met de luminantie; de daadwerkelijke indruk van de lichtsterkte wordt echter ook door de adaptietoestand van de ogen, de omringende contrastverhoudingen en het informatiegehalte van het waargenomen vlak beïnvloed.

Lichtkleur

CIE-systeem

Lichtkleur is de kleur van het door een lamp afgegeven licht. De lichtkleur kan door x,y-coördinaten als kleurplaats in de kleurdefinitie CIE, en bij witte lichtkleuren ook als kleurtemperatuur TF worden aangegeven. Bij de kleurdefinitie CIE wordt de lichtkleur uit de spectrale samenstelling berekend en in een doorlopend, tweedimensionaal diagram weergegeven. De kleurtoon wordt via de kleurplaats van de spectraalkleur en de verzadiging gedefinieerd. Door de opbouw van het diagram ontstaat een kleurvlak, dat alle reële kleuren omvat. Het kleurvlak wordt door een boogdeel omsloten, waarop de kleurplaatsen van de volledig verzadigde spectraalkleuren liggen. In het binnenste van het vlak bevindt zich het punt van de minste verzadiging, dat als witpunt wordt aangeduid. Alle verzadigingstrappen van een kleur kunnen nu op de rechte lijn tussen het witpunt en de desbetreffende kleurplaats worden aangetroffen; alle mengingen tussen twee kleuren liggen ook op een rechte lijn tussen de desbetreffende kleurplaatsen.

Meest overeenkomende kleurtemperatuur

De Planckcurve bevat de kleurplaatsen van de Planckse straling van alle temperaturen. Aangezien de kleurplaats van een lichtbron vaak in de buurt van de curve ligt, wordt uitgaande van de curve van het zwarte lichaam een lijnenfamilie van meest overeenkomende kleurtemperaturen ingevoerd. Met behulp hiervan kunnen ook lichtkleuren, die niet op deze curve liggen, door een meest overeenkomende kleurtemperatuur worden aangeduid. Bij gloeilampen komt de meest overeenkomende kleurtemperatuur in de buurt van de daadwerkelijke temperatuur van de gloeilampspiraal. Bij ontladingslampen wordt de meest overeenkomende kleurtemperatuur aangegeven.

Hoofdgroepen van kleurtemperaturen

Voor witte lichtkleuren bestaat er daarnaast ook nog een indeling in drie hoofdgroepen: het warmwitte bereik (ww) met meest overeenkomende kleurtemperaturen onder 4000 K, het neutraalwitte bereik (nw) tussen 4000 en 5000 K en het daglichtwitte bereik (tw) met meest overeenkomende kleurtemperaturen boven 5000 K. Gelijke lichtkleuren kunnen verschillende spectrale verdelingen en een bijbehorende verschillende kleurweergave hebben.

Kleurweergave

Kleurweergave

Kleurweergave

Met kleurweergave wordt de kwaliteit van de weergave van kleuren onder een bepaalde verlichting aangeduid. De mate van kleurvervalsing wordt door de kleurweergave-index Ra respectievelijk de kleurweergave-index aangegeven. Als referentielichtbron dient een vergelijkbare lichtbron met doorlopend spectrum, of dit nu een gloeilamp is met een vergelijkbare kleurtemperatuur of het daglicht.

Kleurweergave

Bereiken van de kleurweergave-index Ra bij verschillende lamptypen

Om de kleurweergave van een lichtbron te bepalen, worden de kleureffecten van een scala van acht objectkleuren onder het te beoordelen verlichtingstype en onder de referentieverlichting berekend en in relatie tot elkaar gezet. De zo berekende kwaliteit van de kleurweergave wordt in kleurweergave-indices uitgedrukt, die betrekking kunnen hebben op de algemene kleurweergave (Ra) als gemiddelde waarde of op de weergave van afzonderlijke kleuren. De maximale index van 100 betekent hierbij een ideale kleurweergave, zoals die onder gloeilamplicht of daglicht beschikbaar is. Lagere waarden houden een overeenkomstig slechtere kleurweergave in. Lineaire lichtspectra leiden tot een goede kleurweergave, lijnenspectra in het algemeen tot een slechtere kleurweergave. Bandspectra worden uit verschillende lijnenspectra samengesteld en verbeteren de kleurweergave.