Kunst interpreteren met licht: museumverlichting: objectief of hyperrealistisch?


Licht maakt kunst in musea zichtbaar. Tegelijkertijd heeft licht echter ook zijn eigen interpretatie. Daarbij hebben de curator, de architect en de kunstenaar vaak verschillende voorstellingen over hoe de kunst door licht op passende wijze tot zijn recht moet komen. Het artikel begint bij de esthetiek van het beeld en de tentoonstelling en stelt zes categorieën voor enscenering voor: van de schijnbare objectieve waarneming van de kunst via hyperrealisme tot en met de dynamische overbrenging van kunstschatten.
Elk soort museumverlichting communiceert een standpunt ten aanzien van concepten in de kunst. Zelfs hallen die een neutraal effect sorteren met alleen diffuus daglicht, of die met gelijkmatig verlichte wanden rust uitstralen, laten de opvattingen van de curator zien. Hetzelfde geldt voor de op vele fronten ingezette accentverlichting die kunst als een collectie van individuele werken tentoonstelt. De beslissing voor een interpretatie door licht gaat vaak echter gepaard met een lange weg, omdat de meest uiteenlopende belangen samenkomen. De architect wenst waardering voor de bouwkundige prestaties, de curator wil graag een inhoudelijke mening over de totale collectie overbrengen, de verzamelaar wil als uitlener een bepaalde esthetiek communiceren en de kunstenaar eist tot slot een adequate presentatie van zijn individuele werk. Hierbij komen nog de verschillende generaties bezoekers die door een krachtige enscenering wel of niet belangstellend blijven.
Tentoonstellingsmakers beschikken door licht over een medium met een grote invloed om de sfeer voor de ontvangst van kunst te definiëren, deze sfeer een lading vol drama te geven en het succes van een tentoonstelling mede te bepalen. Daarom rijst voor alle betrokkenen al snel de vraag aan welke criteria een adequaat lichtconcept zou moeten worden voldoen: de lichtsfeer in het betreffende kunstwerk? Of het licht waarin het werk werd geschapen? En wat is eigenlijk passend voor de kunst die ontstond in het schijnsel van kaarsen en vandaag de dag ook aantrekkelijk tot zijn recht moet komen?
Moet het individuele werk eerder de maatstaf zijn of toch het thema van de totale tentoonstelling? Hoe kan ten slotte de interactie met kunst door licht worden gestimuleerd? Wanneer geeft het licht een authentiek effect en wanneer wordt het tentoonstellingsstuk minder aantrekkelijk?
In de volgende Whitepaper komen deze verlichtingskwesties aan de orde, doordat het bij de esthetiek van het kunstwerk respectievelijk de tentoonstelling begint en er een lichtplanningsconcept aan de orde is. Een classificatie van de lichtoplossingen in zes categorieën, die zich uitstrekt van de schijn van een objectieve uitstraling van kunst via hyperrealisme tot en met de dynamische overbrenging van kunstschatten, toont de veelzijdigheid in vormgevingsmogelijkheden aan en vergemakkelijkt bovendien de oriëntatie in de conceptfase. Het model van de zes categorieën vertegenwoordigt een uitgangspunt voor een gedachtegang om te laten zien hoe verschillend het effect is van licht op de uitstraling van de kunst en hoe belangrijk een differentiatie is om cultuur op gepaste wijze over te dragen.










De opkomst van nieuwe kunstvormen en andere esthetische idealen weerspiegelt zich in het ervaren van kunst alsmede in de veranderingen van de tentoonstellingsconcepten. De veelzijdigheid van kunstenscenering door licht strekt zich uit van een zakelijke, nuchtere sfeer voor een objectief aandoende presentatie tot en met hyperrealistische of dynamische presentaties om de ontmoeting met cultuurgoed als belevenis te vieren. Als criteria voor de selectie van een verlichtingsconcept kunnen drie opties worden gebruikt: 1. Immanente inhoud van een beeld, 2. Formele aspecten van het beeldmedium, en 3. De omgeving in ruimte en tijd in welke het werk ontstond. Via de analyse van lichtsterkte, contrast en lichtsfeer in het schilderij kan de tentoonstellingsmaker een vergelijkbaar verlichtingstype kiezen voor de ruimte en het expositiestuk, bijvoorbeeld een contrastrijke accentverlichting voor de expressieve Clair-obscur. Als de grootte en de lijst in ogenschouw worden genomen, kan net zo goed een verlichting worden ontworpen die met de esthetische uitstraling correspondeert, bijvoorbeeld voor grote minimalistische schilderijen een wallwashing over een groot vlak, of voor portretten van een klein formaat met een markante, historische lijst een smal stralende accentverlichting. Uit het tijdperk en de omgeving - of het nu daglicht in de natuur of kaarslicht in het atelier is - kan ook een passende kleurtemperatuur en verlichtingssoort worden afgeleid. Tot één van de belangrijke criteria voor een authentieke indruk rijst bij lichtensceneringen de vraag of de kunstenaar het schilderij toentertijd bij het maken ook zo zou hebben waargenomen, of dat het besproken verlichtingsconcept tot een aanpassing van de uitstraling zou kunnen leiden van het schilderij en of de lichtoplossing afleidt van het effect van de kunst.
Meer informatie over de historische ontwikkeling van architectuur en tentoonstellingsdesign, details over de lichtplanning alsmede verwijzingen naar literatuur vindt u hier.
Nauwe afstemming in de voorbereidingsfase met curator en kunstenaars helpt om correcties in de opbouwfase te minimaliseren.
Criteria, zoals lichtsterkte en grootte van het tentoongestelde stuk, het soort lijst, de beeldinhoud alsmede de lichtverhoudingen bij het maken van het schilderij, helpen bij de beoordeling of een lichtoplossing een natuurlijke indruk maakt of dat deze de presentatie in gevaar kan brengen.
Veelzijdige lichtoplossingen hebben een flexibele infrastructuur nodig, zoals spanningsrails met spots.
Veranderingen van het lichtconcept op korte termijn, van neutrale wallwashing naar theatrale accentverlichting kunnen via verwisselbare lichtverdelingen comfortabel worden gerealiseerd.
Om voor het oog duidelijk waarneembare contrasten te genereren, is een verhouding vereist van ten minste 1:5 tussen omgeving en tentoonstellingsstuk.
Voor dramaturgie via gedifferentieerde contrasten tussen tentoonstellingsstuk en ruimte, alsmede in de kunstwerken zijn dimbare spots onontbeerlijk.
Voor magische ensceneringen waarbij de lichtbundel precies tot de randen van het schilderij is begrensd, zijn contourenspots geschikt.