Kantoorverlichting moet aan een groot aantal eisen voldoen: bij elk project staan planners voor de uitdaging om normatieve voorschriften, economische doelstellingen, bouwkundige omstandigheden en gestalterische ambities in één concept te verenigen. Om de kwaliteit van de verlichting daarbij niet uitsluitend te beoordelen op basis van kwantitatieve criteria zoals verlichtingssterkte of energie-efficiëntiekengetallen, biedt een denkmodel met verlichtingsfuncties uitkomst. Het maakt de verlichting los van de statische ruimtekubatuur en stelt het gebruik van een ruimtelijke situatie centraal: in het interieur, op de gevel, maar ook in de buitenruimte.
Op die manier wordt de functie duidelijk: moet een ruimtegedeelte representeren, leiden, geconcentreerd werken mogelijk maken, open communicatie ondersteunen of inspiratie en afwisseling bieden? Het model van de verlichtingsfuncties stelt planners in staat om in een steeds dynamischer wordende werkomgeving flexibel in te spelen op de meest uiteenlopende architectonische omstandigheden en werkwijzen, verlichtingstaken modulair samen te stellen en ruimtegedeelten naar behoefte te schalen. Het is uitermate geschikt als basis voor een kwalitatieve, op de waarneming gerichte lichtplanning. Voor planners is het zinvol om zich aan het begin van elk verlichtingsproject de volgende drie vragen te stellen voor elk benodigd functiegebied:
- Waarom verlichten we? Welke ondernemingsstrategische, architectonische en functionele betekenis heeft de ruimte of de ruimtezone?
- Wat kan licht bewerkstelligen? Welke taken op kantoor kunnen door de verlichting worden ondersteund om het ruimtegebruik te perfectioneren?
- Hoe ziet de ideale lichtoplossing eruit? Welke individuele verlichtingsstrategie en welke verlichtingssoorten zijn geschikt als basis voor de lichtplanning?