Transmissie: licht treedt door een medium
Transmissie omschrijft in de fysica de doorgang van stralen (licht) door een medium. De maatstaf van de doorlatendheid is de transmissiefactor: dat is de verhouding van de doorgelaten lichtstroom ten opzichte van de invallende lichtstroom. Net als bij de reflectie kan ook de transmissie gericht of diffuus zijn. Lichtdoorlatende materialen worden in de lichttechniek gebruikt voor de lichtprojectie, maar ook voor het modelleren van het spectrum.
Hoe werkt transmissie?
Bij transmissie wordt een op een lichaam vallend licht afhankelijk van de transmissiefactor van dit lichaam doorgelaten. Daarbij speelt de verstrooiingsgraad van het overgebrachte licht ook een rol. Bij ideaal doorzichtige materialen, zoals helder glas, vindt er geen enkele verstrooiing plaats. Het licht dringt nog steeds gericht door het materiaal. Met een toenemend strooivermogen wordt het gerichte aandeel van het getransmitteerde licht steeds kleiner, tot er bij volledige verstrooiing alleen nog diffuus licht wordt afgegeven. Bij de transmissie door mat glas wordt gericht licht diffuus. Het licht wordt vanwege de meervoudige reflectie veelvoudig verstrooid en er ontstaat een homogene lichtsterkteverdeling.
Transmitterende materialen in armaturen kunnen doorzichtig zijn. Dit geldt voor eenvoudige veiligheidsglazen en voor filters die bepaalde spectrale bereiken absorberen, die de andere gebieden echter wel transmitteren en zo voor kleurrijk licht of voor een daling van het UV- of infraroodaandeel zorgen. Af en toe worden ook verstrooiende materialen - bijv. opaal glas of opalen kunststoffen - gebruikt als veiligheidsglas om door het verlagen van de verlichtingssterkte van de lamp te voorkomen.

