Wat u over kleurcontrasten voor de lichtplanning dient te weten

Het kleurcontrast is het verschil tussen ten minste twee kleurtinten. Voor de visuele waarneming is een kleurcontrast van elementair belang. Door de afbakening ten opzichte van de omgeving kunnen wij objecten zien. Daarom dient er ook in de lichtplanning voor de architectuur rekening te worden gehouden met het kleurcontrast. Het contrast tussen lichaamskleuren of lichtsterktes kan accenten in de (interieur-) architectuur benadrukken. Op een witte achtergrond zijn naast kleurrijk licht ook de lichtkleuren van verschillende wittinten – van een roodachtig warmwit via neutraalwit tot en met een blauwachtig koudwit – een vormgevingsmiddel van de lichtplanning.
Zeven kleurcontrasten volgens Itten
Aan de zeven kleurcontrasten ligt de kleurenleer van de Zwitserse kunstschilder en kunsttheoreticus Johannes Itten ten grondslag. Deze door hem ontwikkelde opzet baseert zich niet alleen op de fysische en chemische eigenschappen van de kleur, maar ook op hun subjectieve effect. Hier speelt dus ook de psychische-fysische waarneming een beslissende rol.

Kleur tegen kleur contrast
Dit contrast heeft betrekking op het effect van zeer bonte kleuren met hun maximale intensiteit. De primaire kleuren geel, rood en blauw resulteren in het grootste contrast. Het kleurcontrast wordt bij secundaire of tertiaire kleuren of bij een afnemende verzadiging zwakker.

Simultaancontrast
De werking van het simultaancontrast vindt zijn oorsprong in de waarnemingsverwerking van het oog: het oog vormt, nadat het een kleur lang heeft gezien en vervolgens een neutraal grijs ziet, een simultaancontrast. Rood leidt tot een groenachtige grijstint. Deze complementaire wisselwerking laat een grijs vlak naast een groen roodachtig lijken. Kleuren veranderen hun effect dus onder invloed van de kleuren in hun omgeving.

Complementair contrast
De in de kleurencirkel tegenoverliggende kleurenparen vormen het complementaire contrast: blauw en oranje, rood en groen alsmede geel en paars. Geel en paars zorgen in de kleurencirkel daarbij voor het grootste contrast tussen licht en donker, oranje en blauw voor het grootste contrast tussen koud en warm.
Interessant:
het complementaire contrast tussen rood en groen verhoogt de lichtintensiteit van de kleuren tot en met een flikkereffect. Daarom wordt dit ook een flikkercontrast genoemd. Het oog reageert op de kleuren en hun stralingsintensiteit bij hetzelfde contrast.

Kwaliteitscontrast
Het kwaliteitscontrast resp. intensiteitscontrast beschrijft de tegenstelling tussen zuivere kleuren tot troebele kleuren. Het mengen van zuivere kleuren met grijstinten laat deze troebel en dof worden. De kwaliteit van de zuiverheid gaat verloren. Zuivere kleuren zijn in hun werking dominant ten opzichte van troebele kleuren.

Kwantiteitscontrast
Het kwantiteitscontrast heeft betrekking op de grootteverhouding van kleurvlakken ten opzichte van elkaar. Een groot kleurvlak met een klein vlak in een contrastkleur versterkt het kleureffect van het hoofdvlak.

Warm-koud contrast
In de kleurencirkel staan de warme kleuren met rood- en geelaandelen tegenover de koude, blauwe kleurtinten. Groen en magenta vormen de neutrale overgangen. Het effect van een overwegende kleur kan door de combinatie met een accent uit de tegenkleur worden versterkt.

Wat is het sterkste kleurcontrast?
De 'niet-kleuren' zwart en wit vormen het sterkste contrast; het door Itten geïntroduceerde en zogenoemde licht-donkercontrast. Ook bij de bonte kleuren wordt het afgrenzende effect duidelijk. Een lichte kleur naast een donkere kleur werkt sterker dan naast een even lichte of lichtere kleur. Het markerende effect van kleurtinten kan door sterke helderheidsverschillen worden versterkt.







