Receptoren in het oog zijn zintuigcellen die op lichtprikkels reageren en signalen via de zenuwen naar de hersenen doorsturen. Wij mensen hebben drie verschillende soorten lichtgevoelige receptoren voor de visuele en niet-visuele waarneming.
Receptoren (oog): de ontvangstcellen voor lichtprikkels

Welke receptoren zijn er?
Het menselijk oog heeft drie verschillende typen lichtgevoelige receptoren: staafjes, kegeltjes en lichtgevoelige ganglioncellen.
Staafjes en kegeltjes maken de visuele waarneming mogelijk, dus het zien. De lichtgevoeligestaafjeslaten ons ook 's nachts lichtsterkteverschillen herkennen.
De bijzonderheden bij kijken bij weinig licht zijn:
kleuren verdwijnen
de geringegezichtsscherptede betere zichtbaarheid van zwak verlichte objecten in de periferie van het gezichtsveldKegeltjeszijn daarentegen bestemd voor het waarnemen van kleuren en hebben meer licht nodig. In het donker nemen mensen alleen grijstinten waar en geen kleuren. Pas bij de toenemende luminantie wisselt het oog vaan kijken bijweinig licht (scotopisch zicht) via het kijken bij [/html]schemerlicht (mesopisch zicht) naar het kleurige kijken bij [/html]goed licht (fotopisch zicht).
Dat onderscheidt het kegeltjessysteem:
- een geringe lichtgevoeligheid
- concentratie vooral in het centrale gebied rondom de fovea
- het zien van kleuren en een grote gezichtsscherpte bij het bekijken van objecten, die worden gefixeerd, waarvan het beeld ook in de fovea valt
De lichtgevoelige ganglioncellen vormen een bijzonder type fotoreceptoren. Deze worden pas sinds de jaren 90 nauwkeuriger onderzoekt. Deze zijn niet zoals de andere beide receptoren bestemd om te zien, maar sturen aan de hand van lichtsterktegegevens onder andere het circadiaans ritme, de „inwendige klok“ klok van de mens gedurende de dag en nacht.

Hoe zijn receptoren gerangschikt?
Nadere beschouwing laat zien dat de in het netvlies liggende receptoren niet in een gelijkvormig raster zijn gerangschikt. De ruimtelijke verdeling van de kegeltjes en staafjes is niet uniform. Op een punt, de zogenaamde „blinde vlek“, bevinden zich helemaal geen receptoren, omdat daar de gebundelde gezichtszenuwen uitmonden in het netvlies. Anderzijds bestaat ook een gebied met een zeer hoge receptordichtheid, wat fovea wordt genoemd en dat in het brandpunt van de lens ligt. In dit centrale gebied bevindt zich een zeer geconcentreerd aantal kegeltjes. De kegeltjesdichtheid neemt naar de periferie toe daarentegen sterk af. Daar zitten dan weer de staafjes die volledig ontbreken in de fovea.
In tegenstelling tot scotopisch zien wordt niet het volledige gezichtsveld gelijkmatig waargenomen. Het zwaartepunt van de waarneming ligt in zijn centrum. De rand van het gezichtsveld is echter niet volledig zonder invloed: als er daar interessante fenomenen worden waargenomen, dan richt de blik zich onwillekeurig op dit punt dat vervolgens in de fovea wordt afgebeeld en nauwkeuriger wordt waargenomen. Een wezenlijke aanleiding voor deze verschuiving van de kijkrichting is naast optredende bewegingen en opvallende kleuren of patronen de aanwezigheid van hoge luminanties – de blik en de aandacht van mensen kunnen dus ook door licht worden geleid.
De lichtgevoelige ganglioncellen zijn over het volledige netvlies verdeeld. Zeer gevoelig reageren deze receptoren echter in het onderste gebied en naar de neus toe.
Hoeveel receptoren heeft het oog?
In de receptorenlaag van het netvlies bevinden zich ongeveer 6 miljoen kegeltjes en 120 miljoen staafjes. Het precieze aantal varieert individueel per mens.
Interessant
Personen met te weinig of in het geheel geen staafjes in het netvlies hebben last van nachtblindheid. Mensen die in het geheel geen of niet goed werkende kegeltjes hebben, zijn kleurenblind.








